Multi-culti koelpieten

De mensen in Heilust zijn van zeer uiteenlopende komaf, maar nog altijd is wit de de dominante kleur. Foto: Bas Quaedvlieg

José Mayer is lid van D’r Wauwel, de dialectvereniging van heel Kerkrade-West. José schrijft gedichtjes in haar moddersjproach, het Kerkraads dialect. Zoals dit, dat gaat over de beelden van vroeger die je in de loop van de tijd kwijt kunt raken:

De Tsiet!
Me wilt ze nit meë kwiet, die tsiet.
De bildjere va vruier die me kriet zunt angesj da wie me ze ziet
en is me kwiet durch de tsiet.

José is voor mij een van de plaatjes uit mijn jeugd. Ik ken haar als José Amkreutz die met haar ouders in de Crocusstraat woont. Sinds wij elkaar kennen, spreken we Nederlands met elkaar. Zoals ik met zoveel mensen van vroeger de landstaal spreek. Thuis spreken we in mijn jeugd namelijk Nederlands. Komt door mijn moeder. Zij komt uit Hoensbroek. Haar ouders zijn Slovenen en spreken Duits, omdat Slovenië in hun tijd behoort tot het Oostenrijkse keizerrijk. Ze komen na de Eerste Wereldoorlog naar Limburg om werk te vinden in de mijnen. Mijn moeder leert Nederlands op school bij de nonnen en van de kinderen op straat. Vandaar dat haar Nederlands meer Hoensbroeks Huillands is dat ook wel steenkolenhollands genoemd wordt.

Mijn vader is een kind van Bleijerheide en spreekt van huis uit het platste plat dat in Kerkrade wordt gesproken: het Blieërheidsj. Zijn voorouders komen deels uit Duitsland. Lief en best wel charmant is het Hollendsj mit knoebele dat mijn Bleijerheidse oma Lena tegen ons kinderen spreekt als ze zich in onze taal probeert uit te drukken. Dat gaat ongeveer zo: daar achter op de eck is een geschäft daar kan je tuiten kopen… Met mijn vader spreek ik soms dialect. Met name als hij met mij een gesprek wil voeren van vader tot zoon.

Op straat spreek ik nauwelijks plat. Komt waarschijnlijk omdat veel van mijn vriendjes ook geen dialect spreken. Vaak vanwege een niet-Limburgse afkomst. Best wel veel Heilustenaren komen in die tijd uit Polen, Italië, Slovenië, Indonesië en – dichter bij huis – Drenthe en Friesland. Katholieken en ook veel protestanten. Eind jaren zestig komen daar enkele moslims bij. Marokkanen komen dan in de mijnen werken. Ik herinner me een Marokkaanse mijnwerker die door mijn vader aan een huurhuis wordt geholpen als hij zijn vrouw naar Nederland wil halen. Gezinshereniging is van alle tijden.

Omdat het eerste contact bepalend schijnt te zijn voor de taal die je met iemand spreekt, praat ik Nederlands met veel van mijn vrienden en ook met mijn vrouw. Mijn lief is van Poolse ouders. Thuis in de al jaren geleden gesloopte mijnwerkerskolonie achter de eeuwig rokende steenberg van de Willem-Sophia spreekt ze in haar peuterjaren Pools met haar ouders en haar zus. Op straat leert zij eerst Kerkraads van haar speelvriendjes. Pas als ze naar school gaat, leert ze Nederlands. Heel normaal in de multi-culti Mijnstreek van mijn jeugd, waar de koelpieten ondergronds allemaal zwart zijn.

Heilust was en is nog steeds geen zwarte wijk. Sinds de bouw van de wijk wonen er allerlei buitenlanders. Bij wat er reeds woonde, zijn later nog wat Antillianen en Somaliërs gekomen. Ook een enkele Rus schijnt er gesignaleerd te zijn. Wit domineert het straatbeeld. Als tijdens een lunch bij Umberto’s in de Akerstraat een winkelende moslimvrouw voorbijkomt, zegt Karin Hillebrand: „Eindelijk zien we eens een vrouw met een hoofddoek.”

Bij de laatste verkiezingen valt op dat de PVV enorm scoort in Heilust. Bijna de helft van de wijkbewoners stemt op de partij, die haar pijlen vaak richt op de islam en op de bestuurders die al jaren op het regeringspluche zitten. Hoewel er regelmatig op het gedrag van enkele wijkbewoners van Marokkaanse afkomst wordt gemopperd, met name dat van jongens, kun je niet spreken van een afkeer van alles wat niet ‘van bij ons’ is. Immers, ondanks alle Housens, Bothmers en Schlangens – typisch Kerkraadse achternamen – is bijna niets in de wijk nog echt van bij ons.

Dat de stemmers in de wijk massaal gevestigde partijen als de PvdA en het CDA en zelfs protestpartij SP de rug toekeren, zegt veel over het heersende onbehagen. De mensen voelen zich vergeten. Door het gemeentehuis, maar vooral door ‘die in Den Haag’, die ze graag spitsboeven noemen. Veertig jaar geleden zijn de lichten van de mijn gedoofd en sindsdien hebben de mensen van Heilust maar bitter weinig licht aan het einde van hun tunnel gezien. De wijk zelf ligt er al jaren behoorlijk verwaarloosd bij. Trottoirs zijn schots en scheef en het asfalt zit vol bulten en gaten.

Voor die ietwat verloederde volkswijk kan krimp een godsgeschenk zijn, want dankzij de ontvolking wordt Heilust eindelijk eens grondig aangepakt. Misschien wonen er straks wel weer gelukkige Nederlands of Kerkraads dialect sprekende mensen in gezellige bloemenstraten rond een nieuw centraal park.

Om te ervaren wat krimp met mensen doet, moet je de straat op. De journalisten Karin Hillebrand (L1) en Wiel Beijer (Dagblad De Limburger/Limburgs Dagblad) doen in woord en beeld wekelijks verslag vanuit de Kerkraadse wijk Heilust, middelpunt van het multimediale project Mijn Heilust.
Op deze plek telkens een persoonlijke beschouwing van Wiel Beijer, die zijn jeugdjaren in Heilust sleet. Deel 14 is gepubliceerd in de Limburgse kranten op zaterdag 9 april.

Over mijnheilust

Journalist bij De Limburger. Bedacht en maakte samen met camera-journalist Karin Hillebrand voor de krant en regionale omroep L1 het multi-mediale project Mijn Heilust.
Dit bericht werd geplaatst in Mijn Heilust, verhalen. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s